25 jaar terug.
piet en an hebben wel een aap en een kat maar geen hoofdletters of leestekens. Bovendien kunnen ze maar tot 20 tellen, wat vervelend is want die aap eet meer dan 20 nootjes per dag. En ze wonen in huisnummer 21 dus dat mag niet. Pietje Puk de postbode stelt zich voor, gevolgd door de boeken van de Rode Ridder die me minder boeien. Met Suske en Wiske leer ik mijn geschiedenis en dankzij de vergelijkingen van Lambik met alles wat afkeer opwekt dat de politiek toen niet veel anders was dan nu.
Zo’n 20 jaar geleden. Ik ben volop ergens achteraan in het boek “taal” aan het lezen. In die tijd waren er nog geen fancy namen als “Piramide”, WERO was nog WO en de vakken hadden namen als taal, rekenen, spelling, geschiedenis.
Een klop op mijn lessenaar.
“Hm?”
“Aan het slapen in de les?”
Algemeen gelach in de klas.
“Tijd om op te staan! Gisteren te laat in bed gezeten?”
Nog meer gelach. En hij heeft dan nog gelijk ook, want ik zat gisteren tot laat met mijn zaklamp in bed stiekem de kruistocht van Thea te lezen.
“We zitten op pagina 36, tweede alinea.
“Blader, ritsel, waar zit die pagina? Zweetpuntjes prikken op mijn voorhoofd. Na nerveus zoeken vind ik eindelijk de pagina en begin luidop te lezen. Na mijn alinea die ik van pure ontnuchtering hakkelend heb voorgelezen laat de leraar me met rust. Op zoek naar een volgend slachtoffer.
In deze les waag ik het niet meer om verder te lezen dan waar “de klas” is.
Een paar dagen later.
Ik heb mijn les geleerd, ik hou mijn vinger op de pagina waar de klas aan het lezen is en heb ondertussen wel al gesnapt dat we om beurt een alinea moeten lezen, dus kan ik uitrekenen wanneer het opnieuw aan mij is en kan ik snel terugbladeren. Het voorleestempo van sommigen is zo tergend traag, ieder woord wordt drie keer gewikt, in de mond gerold, omgekeerd, dan toch verkeerd uitgesproken, zo traag dat je beseft dat ze jouw tijd verbranden, tijd die je voor nuttiger dingen kan gebruiken, dat je ze zo gaat haten dat je ze van hun bank zou willen stampen. Blijkt dat dit niet sociaal aanvaard is. Iemand omver schoppen of openlijk belachelijk maken omdat hij niet kan voetballen is dat dan blijkbaar weer wel.
Ik heb nood aan nieuwe boeken. Na Jan Terlouw zijn Pjotr, Oorlogswinter en De Kloof te verwerken, alle Roald Dahl kinderboeken twee keer te hebben gelezen en de kinderafdeling in te ruilen voor de tienerboeken begint mijn eerste leesvermoeidheid op te duiken. Ik kwam op een moment dat ik te oud was voor kinderboeken en te jong om “volwassen” romans te lezen. Er was een drang van tienerauteurs om enkel nog te schrijven over racisme en integratie. Na een paar van die boeken weet je het wel en wil je opnieuw wat meer fantasie in de verhalen.
Een paar jaar later, eindelijk wat poëzie in de opleiding. Gedaan met de rijmpjes van het vogeltje in het bos, hoedjes van papier, op naar het echte werk. Nu we op de school van Gezelle zitten, moeten we die toch wel goed kennen. Vele krinkelende winklende weken, maanden met een rooze verder, tot op het bot ontleed en verkracht, krijgen we Herman De Coninck te lezen. Prachtig werk heeft hij geschreven, en wat krijgen we: een voetballer – Cruijff – die geen enkele tiener nog kent. Mooi gedicht, maar om daar dan weer een maand over bezig te zijn… Nu nog kan ik me van De Coninck niets anders meer herinneren dan die voetballer!
Meneer, mogen we niet eens wat anders lezen, Jotie T’ Hooft bijvoorbeeld? Wie? Die junk? Wat heeft die nu van belang geschreven? Wel, zowat alles wat een tiener bezighoudt misschien? De pijn, het liefdesverdriet, het zoeken naar een lief terwijl je met een puistenkop op een jongensschool zit!
Het heeft niet mogen zijn, Gezelle staat in het leerplan, Jotie niet. En de boem van Paul. Die wel. En de dactylische hexameter, het elegisch distichon, het sonnet, die ook. Ongelooflijk hoe zo’n vrije kunst zo uitgespit kan worden, omgezet tot iets wat je behandelt als wat je in de afvoer vindt.
Het heeft me verschillende jaren gekost om Guide Gezelle en Herman De Coninck opnieuw te kunnen appreciëren. Zo kostmoe was ik hun werk. Pas nu ontdek ik opnieuw het plezier van het lezen. En van “kinder” gedichten. Maar aan een tempo waar ik als kind mee gelachen zou hebben. Dan Brown, de Harry Potter reeks (twee keer in het Nederlands, vanaf boek vijf nog eerst eens in het Engels) en nu recent Stieg Larsson. De echte topverkopers, ik weet het, maar ik moet toch ergens mijn herintegratie in de leesmaatschappij starten?